Druistig komen de twee jonge mannen het vliegtuig binnen. Een wolk van verse parfum verspreidt zich tussen de stoelen en aan hun luidruchtige gebabbel te horen zijn het Ierse jongens die een weekend in Amsterdam gaan doorbrengen, in de hoop een paar leuke dames te ontmoeten. Ik schat ze een jaar of achttien; de zorgvuldig lullig geknipte pony oogt kinderlijk.
Alle passagiers en crew hebben op deze Irish lads gewacht. Ze stappen als laatsten aan boord en zijn zichtbaar in hun nopjes met die verworven status. Ik stel me voor hoe ze tot het allerlaatste moment in een luchthavenbar zijn blijven hangen, fantaserend over deze entree op de vliegtuigcatwalk.
Het kan haast niet anders dan dat ze naast mij komen zitten; de enige stoelen die nog vrij zijn, bevinden zich naast mij. Gadver, denk ik, heb ik weer. Maar het valt mee. Zodra het telefoontje uit de grote, grijze, joggingbroek tevoorschijn komt, kan ik ongegeneerd meekijken op het scherm van mijn buurman. Zijn duim glijdt behendig over het display: de ene selfie van een dame na de andere krijgt een hartje, in rap tempo. Er wordt gelachen en uit hun Ierse gebrabbel maak ik op dat de verwachtingen voor het aankomende weekend hooggespannen zijn.
Dan blijkt onze vlucht vertraagd. De captain verzoekt ons te blijven zitten zodat we binnen het toegewezen tijdslot kunnen vertrekken. De jongens besluiten een dutje te doen en leggen hun hoofd op het uitgeklapte tafeltje. Wanneer dat weer omhoog moet, gaat mijn buurman rechtop zitten.
Even let ik niet op en voel ik plots een duw tegen mijn schouder. Zijn kapsel raakt mij en ik duw mijn buurman terug richting zijn metgezel aan de raamkant. Zachtjes helt hij opnieuw mijn kant op. En dan zie ik het: een dunne kwijldraad uit zijn opengevallen mond. Op mijn schouder. Gadver.
“Een kwijlende man,” denk ik, “maar dan anders.” Ik geef hem een ferme zet zodat hij tegen zijn maatje aan belandt. "Hopelijk valt hij vanavond niet in slaap" denk ik.
